Kapelstraat 34

Kapelstraat 34

Beeldbepalend object / Beschermd dorpsgezicht omgeving Kapelstraat

Omstreeks 1888 geeft Johannes van Rulo, een welgestelde landbouwer, de opdracht om de hoeve aan Kapelstraat 32 te bouwen. In 1912, getuige de gevelsteen rechts naast de voordeur, laat Van Rulo, in de volksmond 'Hannes Rul' genoemd, het huis aan Kapelstraat 34 bouwen voor zijn dochter Johanna. De panden hoorden vroeger bij elkaar. Nummer 32 werd gebruikt als klompenfabriek en nummer 34 als woonhuis. Met een lengte van ongeveer 33 meter behoort de hoeve aan Kapelstraat 32 tot de langste hoeven in Liempde.

Dat Van Rulo niet onbemiddeld was, is terug te zien in de bouw en de lengte van de boerderij aan Kapelstraat 32. De spanten zijn gemaakt van hele eikenbomen die dwars over het huis liggen en op deze manier de grote afstand van tien meter kunnen overbruggen. In 1923 start Cornelis van der Vleuten er een klompenmakerij. Tot het begin van de eenentwintigste eeuw worden hier nog klompen gemaakt.

De landerijen strekken zich voornamelijk uit aan de achterzijde van de boerderij en lopen door tot aan de Dommel. Om de achterliggende percelen te bereiken, wordt er een eigen landbouwweggetje gebruikt, 'de Gasthuissteeg' genaamd.

Naast enkele koeien en varkens is er in de boerderij ook plaats voor een kippenkooi. In vroeger tijden bevindt zich in het pand een grote hooizolder, die ook gebruikt wordt voor de opslag van afvalhout dat in de winter wordt gebruikt. Er is geen bakhuis achter de boerderij. Het bakken van het brood gebeurt in de bakoven van de grote schouw. Achter de boerderij staat een paardenstal, waarin in 1923 een grote klompenmakerij wordt ingericht. Hier werken tenminste tien knechten.

De schuur wordt gebruikt voor de opslag van kolen, die door de eigenaar van de boerderij, Cornelis van der Vleuten, verhandeld worden. In 1930 verkoopt hij zijn kolenvergunning om een benzinemotor aan te schaffen zodat de klompenmakerij verder gemechaniseerd kan worden. Door de uitbreiding van het klompenbedrijf moeten de inpandige kippenkooi, het varkenshok en een gedeelte van de mesthoop verdwijnen. Tot in de jaren veertig van de twintigste eeuw blijven de koeien nog op de boerderij, maar daarna is er voor hen geen plaats meer. De klompenmakerij neemt alle ruimte in beslag. In de jaren zeventig worden er steeds meer eisen gesteld aan de arbeidsomstandigheden van de werknemers in de klompenfabriek. In de boerderij worden toiletten, een kantine en kantoorruimtes gevestigd. Tot het begin van de eenentwintigste eeuw worden er nog klompen gemaakt. Een aantal jaren geleden zorgt een brand voor het einde van de activiteiten in de klompenfabriek.

Bronnen:

  • Boerderijbeschrijvingen. Stichting Kèk Liemt, 1998.